1: Donderdagochtend ... (komen, vt) veel kinderen te laat op school.
2: Het ... (sneeuwen, vt) vorige week.
3: Iedereen ... (houden, tt) heel erg van sneeuw.
4: Vandaag ... (hagelen, vt) het ook heel even.
5: Morgen ... (willen, tt) ik graag gaan skiën.
6: ... (Mogen, tt) jij wel zo laat opblijven?
7: Ik ... (mogen, vt) dat vroeger niet.
8: ... (Hebben, tt) jij je boek al uit?
9: Veel docenten ... (lezen, tt) graag.
10: Vroeger ... (lezen, vt) ik veel meer.
Hoeveel t's heb je ingevuld?
1 = olifant
2 = pissebed
3 = kanarie
4 = hond
5 = kever
6 = kip
7 = kat
8 = konijn
9 = zebra
10 = kip
Het dier is het codewoord voor de volgende letter.